De opleiding ‘extra muros’

Het eerste wat de hond moet leren is zich te concentreren op zijn werk. Van nature wordt zijn aandacht getrokken naar alles wat rond hem gebeurt. En op straat gebeurt veel meer dan in de beslotenheid van het opleidingscentrum: voorbijrazende auto’s, bussen en vrachtwagens, fietsers, honden die hem toe blaffen van achter omheinde tuinen, enz.

Wat hem echter het meest afleidt van zijn werk is de aanwezigheid van andere mensen. Dat kan beledigend klinken. Waarom de mens? Omdat mensen het dikwijls niet kunnen laten onze jonge student toe te spreken en te aaien wanneer ze voorbijlopen. Elke hond vindt dit leuk. Het is voor hem onweerstaanbaar.  Maar de concentratie op zijn werk is zo verdwenen met als gevolg dat de instructeur het risico loopt tegen voorwerpen aan te lopen of te struikelen.

Ook de hindernissen die de hond moet leren onderscheiden worden nu talrijker. Op de trainingspiste kon hij zich beperken tot biervaatjes en verkeerskegels. Dat wordt nu wel anders: fietsenrekken, vuilniszakken, verkeerspalen en -borden, terrassen…

Het duurt dan ook een drietal maanden vooraleer de hond leert om hieruit wijs te geraken en hij in staat is zijn baasje (voorlopig de instructeur) ongestoord langs een veilige weg te loodsen.

Een ander hoofdstuk is het gebruik van het openbaar vervoer. Wat is een bushalte? In het bos van verkeerborden en verlichtingpalen moet hij die ene gele paal met uurrooster leren herkennen. Hetzelfde moet de hond leren voor een treinstation.

Een veel gestelde vraag is hoeveel bevelen een geleidehond moet aanleren. Dat is moeilijk te bepalen. Er zijn een aantal basisbevelen die terugkomen maar telkens in een verschillende combinatie, zoals het bevel “Zoek” in combinatie met een bestemming (deur, trap op, trap laag, deur bakker, deur slager, plaats…) Wanneer hij volleerd is heeft hij een dikke cursus achter de kiezen. Het is allemaal niet vanzelfsprekend voor een hond.

En dan komt het examen.

Volgende stap: De laatste stap in de opleiding