De Opleiding

Wanneer de jonge hond in het opleidingscentrum aankomt, wordt hij nog een keer aan een grondig onderzoek door onze dierenarts onderworpen.

De eerste weken is het voor de hond een hele aanpassing. Alles is nieuw. Het kan wel enkele dagen duren vooraleer de eerste oefeningen echt van start kunnen gaan.

De eerste stap is het gewennen aan de beugel. Dit wordt ‘de interface’ tussen de hond en zijn baas. Nadien komt het werken in de beschermde omgeving van de opleidingspiste. Wanneer dit achter de rug is, is het stilaan tijd om de straat op te gaan en te oefenen in de ‘echte wereld’.

De opleiding zelf

Het eerste wat de hond moet leren is zich te concentreren op zijn werk. Van nature wordt zijn aandacht getrokken naar alles wat rond hem gebeurt. En op straat gebeurt veel meer dan in de beslotenheid van het opleidingscentrum: voorbijrazende auto’s, bussen en vrachtwagens, fietsers, honden die hem toe blaffen van achter omheinde tuinen, enz.

Wat hem echter het meest afleidt van zijn werk is de aanwezigheid van andere mensen. Dat kan beledigend klinken. Waarom de mens? Omdat mensen het dikwijls niet kunnen laten onze jonge student toe te spreken en te aaien wanneer ze voorbijlopen. Elke hond vindt dit leuk. Het is voor hem onweerstaanbaar.  Maar de concentratie op zijn werk is zo verdwenen met als gevolg dat de instructeur het risico loopt tegen voorwerpen aan te lopen of te struikelen.

Ook de hindernissen die de hond moet leren onderscheiden worden nu talrijker. Op de trainingspiste kon hij zich beperken tot biervaatjes en verkeerskegels. Dat wordt nu wel anders: fietsenrekken, vuilniszakken, verkeerspalen en -borden, terrassen…

Het duurt dan ook een drietal maanden vooraleer de hond leert om hieruit wijs te geraken en hij in staat is zijn baasje (voorlopig de instructeur) ongestoord langs een veilige weg te loodsen.

Een ander hoofdstuk is het gebruik van het openbaar vervoer. Wat is een bushalte? In het bos van verkeerborden en verlichtingpalen moet hij die ene gele paal met uurrooster leren herkennen. Hetzelfde moet de hond leren voor een treinstation.

Een veel gestelde vraag is hoeveel bevelen een geleidehond moet aanleren. Dat is moeilijk te bepalen. Er zijn een aantal basisbevelen die terugkomen maar telkens in een verschillende combinatie, zoals het bevel “Zoek” in combinatie met een bestemming (deur, trap op, trap laag, deur bakker, deur slager, plaats…) Wanneer hij volleerd is heeft hij een dikke cursus achter de kiezen. Het is allemaal niet vanzelfsprekend voor een hond.

En dan komt het examen.

Wanneer de opleiding zover gevorderd is, is de eindstreep stilaan in zicht. Dan is het tijd voor de hond om zijn ‘eindexamen’ af te leggen. Dat gebeurt ter gelegenheid van de wekelijkse markt. Op de markt moet de hond alle vaardigheden die hij geleerd heeft in praktijk brengen.

En toch is het geen onmogelijke opdracht. De sleutel tot het succes ligt in geduld en oefening. We zorgen er ook voor dat bij elke stap in de opleiding de hond in contact komt met elke instructeur. We doen dit met opzet om te vermijden dat hij “werken” zou koppelen aan één persoon. Dat vergemakkelijkt achteraf aanzienlijk de stage met zijn definitief baasje.

De stage voor hond én baasje

Voor deze beslissende en laatste stap logeert het toekomstige baasje gedurende twee weken in het opleidingscentrum. Wij beschikken daarvoor over 2 studio’s . Het residentieel verblijf in het centrum is absoluut noodzakelijk om tot een symbiose tussen baas en hond te kunnen komen.

De stage start met de basisvaardigheden: hoe moet je een hond borstelen, hoe de oortjes reinigen, hoeveel eten mag je geven, hoe moet je bevelen geven, hoe ziet (of voelt) de geleidingsbeugel er uit, en – nog belangrijker – hoe moet je die op een juiste manier aanbrengen.

Nadien zetten we de eerste stapjes in het onbekende. Dat is even aanpassen. Het is alsof iemand zijn nieuwe wagen mag afhalen in de garage maar nauwelijks de kans heeft gehad om te leren rijden: ‘Welke bevelen moet ik geven? Wat moet de hond dan doen? Waar loopt hij nu met mij naar toe? Hopelijk struikel ik niet over iets of laat hij mij nergens tegenaan lopen! Oei, ik hoor een wagen op mij afkomen! Waar ben ik? Ik mis mijn witte stok waarmee ik de omgeving kan aftasten…’ Ontreddering. De paniek slaat toe. Voor de stageleider is het niet vreemd. Hij is het gewoon om de stagiair over deze moeilijkheden heen te helpen.

Maar ook voor de hond is het nieuw. Zijn natuurlijke reactie is om te proberen een trapje hoger te klimmen in de hiërarchie en zijn willetje op te dringen. Wat hij geleerd heeft wordt gezwind aan de kant geschoven om lekker zijn zin te doen. Dit is een cruciaal moment. Het nieuwe baasje moet meteen laten merken dat hij hoger in rangorde staat dan de hond. Hij is de baas. De hond moet naar hem luisteren en niet omgekeerd.

Dit gebeurt uiteraard onder voortdurende begeleiding van de instructeur. Beter voorkomen dan genezen. De stageleider zal trachten om de builen en kuilen zoveel mogelijk te voorkomen. Hij zal de stagiair doorlopend inlichten over wat er mis loopt, waar en hoe gecorrigeerd moet worden, en – het belangrijkste – wanneer en hoe de hond beloond moet worden. De instructeur draagt hier een belangrijke verantwoordelijkheid. Hij moet er voor zorgen dat baas en hond één team worden.

Naargelang de stage vordert wordt de moeilijkheidsgraad opgevoerd. Trappen, liften, winkelen, ook het gebruik van het openbaar vervoer, worden ingestudeerd. Alles komt aan bod.

Aan het einde van de stage overlopen instructeur en stagiair samen de werkfiches om na te gaan of alle oefeningen met succes werden uitgevoerd, zodat beiden met onderlinge tevredenheid de overdracht kunnen tekenen.

Daarna kan het nieuw gevormde team naar huis. De nodige uitrusting wordt hen meegegeven. Vanaf dan start hun nieuwe leven als een onafscheidelijk paar. Maar de opleiding is nog niet helemaal gedaan.